In de kast! - Diana Denissen

Strijdbare vrouwen zijn nooit saai

Diana Denissen

In de rubriek ‘In de kast’ vragen letterkundigen aandacht voor schrijvers of boeken die ten onrechte over het hoofd lijken te worden gezien. In deze ‘In de kast’ bespreekt Diana Denissen, onderzoeksmasterstudent Letterkunde en Literatuurwetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen, het werk van de achttiende-eeuwse schrijfster Lucretia van Merken. Denissen betoogt dat het literaire werk van Lucretia van Merken allerminst saai of braaf is, maar juist sprankelt en uitdaagt.

Als er één vrouw is die bewijst dat roem vergankelijk is, dan is het wel de achttiende-eeuwse schrijfster Lucretia Wilhelmina van Merken (1720-1789). Terwijl ze in haar eigen tijd zeer hoog gewaardeerd werd, is haar werk tegenwoordig alleen nog bekend bij een kleine kring van onderzoekers. Als je goed zoekt dan kun je een paar sporen van haar terugvinden, zoals de ‘Lucretia van Merkenstraat’ in Leiden: een schattig, maar ook klein en onopvallend straatje in de wijk Stevenshof. Veel is het echter niet en dat is jammer, want ik ben ervan overtuigd dat Lucretia van Merken een onterecht vergeten schrijfster is, die veel meer aandacht verdient dan ze nu krijgt. Voordat ik haar werk gelezen had, verwachtte ook ik dat het werk van deze schrijfster ‘saai’ en ‘braaf’ zou zijn, maar het tegendeel bleek waar.

Het brave imago van Lucretia van Merken bestaat al een tijdje. Tijdens haar leven werd de kwaliteit van haar literaire werk vergeleken met dat van de befaamde Griekse dichteres Sappho (Van Oostrum 2006: 39), maar haar goede reputatie begint een paar decennia later al flinke scheuren te vertonen. Zo komt haar leerdicht Het nut der tegenspoeden (1762) ter sprake in het verhaal ‘De familie Stastok’ uit Camera Obscura. (Hildebrand 1839) Mejuffrouw van Naslaan vertelt in dit verhaal dat zij Het nut der tegenspoeden een mooi verzenboek vindt en ze fluistert één van de andere dames in het gezelschap toe: ‘het is een heerlijk boek, en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je ’t met geen droge oogen lezen kunt.’ (Hildebrand 1839: 87) Hierop verhaspelt de heer Dorbeen de titel van het boek tot ‘het nut der regenhoeden’ en ‘er ontstond een groot gelach over deze aardigheid’. (Hildebrand 1839: 87) Dit leerdicht van Van Merken (waarvan de laatste druk uit 1818 dateerde) was in 1839 dus nog wel bekend bij het publiek, maar werd niet meer echt serieus genomen. (Meijer Drees 2004: 20)

Vijftig jaar daarvoor werd het literaire werk van Van Merken wel serieus genomen. Van Merken werd geboren in Amsterdam, maar kort na haar huwelijk met de schrijver Nicolaas van Winter verhuisde het echtpaar naar Leiden, waar zij in 1774 tot ereburgers van Leiden werden benoemd. Het toneelstuk dat Van Merken in 1774 schreef ter ere van de viering van tweehonderd jaar ontzet, Het beleg der stad Leyden, zal hier zeker een rol bij hebben gespeeld. In dit toneelstuk is een glansrol weggelegd voor de vaderlandse heldin Magdalena Moons. Doordat zij haar Spaanse verloofde, de legerleider Valdez, tijdens de belegering van Leiden door de Spanjaarden in 1574 kan overhalen om de aanval op de stad uit te stellen, behoedt zij Leiden voor de ondergang. In het toneelstuk wordt duidelijk dat Magdalena Moons haar liefde voor Valdez ondergeschikt acht aan haar liefde voor het vaderland en Leiden.

Het beleg der stad Leyden is in mijn ogen een betekenisvolle en erg interessante literaire tekst. Dit toneelstuk kan namelijk gezien worden als een tekst die op geheel eigen wijze heeft deelgenomen aan het maatschappelijk debat van de late achttiende eeuw over de rol en positie van de vrouw. De heldin van Het beleg der stad Leyden bevindt zich in een vrij ingewikkelde positie, want met haar strijdbare houding lijkt zij niet te voldoen aan het verwachtingspatroon dat destijds over haar sekse bestond. Marijke Meijer Drees, senior docent-onderzoeker aan de Universiteit Utrecht, spreekt in dit verband over ‘de paradox van de strijdbare vrouw’: ‘de verzwegen (want vanzelfsprekende) norm in het verhaal is dat vrouwen in het algemeen, in tegenstelling tot mannen, niet strijdbaar mogen zijn; zijn ze dat toch, dan gaat het om een tijdelijke, door buitengewone omstandigheden veroorzaakte afwijking van die norm.’ (Meijer Drees 1995: 44) Als heldin betreedt Magdalena Moons als het ware een mannelijk domein van ‘heldendom’ en zij neemt dus een speciale plek in tussen deze traditioneel mannelijke helden. Net als veel van die helden is zij bereid haar leven te riskeren om haar stad en haar vaderland te verdedigen:

Ik zelf zal in de spits de stormers tegentrekken en helpen dus de Vest voor hunnen aanval dekken Of zo de zwakke muur door ’t stormen nederstort. En de ingang voor uw volk daardoor ontsloten wordt Zult gij mij in de bres voor haar behoud zien stryden.
(Van Merken 1774: 51)

Het hart van Magdalena Moons wordt echter wel verscheurd tussen haar liefde voor het vaderland enerzijds en haar liefde voor haar verloofde, de Spaanse legerleider Valdez, anderzijds. De uiteindelijke keuze voor het vaderland is weliswaar vanzelfsprekend voor Magdalena, maar zeker niet eenvoudig. Wanneer Leiden met behulp van haar heldendaad is ontzet zegt zij: ‘Ik deel in het heil der Stadt, maar Myn minnend harte schreit, midden in de vreugd, om Valdez schaamte en smarte.’ (Van Merken 1774: 77) Door juist ook de rol van Magdalena als (toekomstig) echtgenote te benadrukken, lijkt Van Merken de strijdbare en actieve houding die Magdalena aanneemt ten opzichte van het vaderland wat te willen ‘vervrouwelijken’. Maar als vaderlandse heldin verkiest Magdalena wel het algemeen belang boven haar persoonlijk belang.

Wanneer Magdalena Moons haar Spaanse verloofde overhaalt om de stad Leiden toch niet te bestormen heeft zij nog wel een geheim wapen achter de hand, namelijk haar tranen: ‘Aanschouw mijn tranen, zie dit afgetreurd gelaat. ‘k Verkwijn uit angst voor ’t lot dat ons te wachten staat.’ (Van Merken 1774: 50) Magdalena dreigt dus wel dat zij de wapens ter hand zal nemen, maar in de praktijk zijn het haar tranen en haar charme waarmee zij Leiden uiteindelijk weet te bevrijden. De verliefde Valdez is namelijk niet bestand tegen de (valse) tranen van zijn toekomstige vrouw. Hiermee komt Magdalena Moons, ondanks haar positie als strijdbare vrouw, toch ook in een klassieke ‘vrouwenrol’ terecht: zij weet met haar kunsten (charme en tranen) het hoofd van mannen op hol te brengen.

De manier waarop Magdalena Moons wordt gerepresenteerd in Het beleg der stad Leyden blijkt dus een reservoir van conflicterende beelden te bevatten. Aan de ene kant spreekt uit de manier waarop deze heldin gerepresenteerd wordt een groot zelfbewustzijn. Magdalena is immers een sterke vrouw met een centrale functie binnen het verhaal. Aan de andere kant wordt deze representatie gekenmerkt door een zoektocht naar de grenzen en kaders van de vrouwelijke rol. Magdalena Moons wordt hierdoor allerminst een saai en braaf karakter, maar een personage dat sprankelt en uitdaagt.

Niet alleen Het beleg der stad Leyden is interessant, Lucretia van Merken heeft nog veel meer (toneel)werk op haar naam staan dat de moeite van het onderzoeken zeker waard is, zoals het eerder genoemde Het nut der tegenspoeden, het treurspel Jacob Simonszoon de Rijk en het omvangrijke heldendicht David. Simon Vuyk constateerde in 2002 dat het vreemd is dat de in de achttiende eeuw zo gewaardeerde Van Merken het nog altijd zonder biografie moet stellen. Het lijkt me hoog tijd dat iemand aan die biografie begint.

Literatuur
Hildebrand, Camera Obscura, Amsterdam 1998.
Meijer Drees, M., ‘Kenau. De paradox van de strijdbare vrouw’. In: N.C.F. van Sas (red.), Waar de blanke top der duinen en andere vaderlandse herinneringen, Amsterdam/Antwerpen 1995: 42-56.
Meijer Drees, M., ‘Gevierd, bespot, vergeten. De teloorgang van een reputatie’. In: Literatuur, 21 (2004), nr. 7, pp. 20-24.
Merken, L. van, Het beleg der stad Leyden, Amsterdam 1774.
Oostrum, W.R.D. van, ‘Veroordeeld tot voorbeeld? Vrouwelijke idolen in het achttiende-eeuwse literaire circuit’. In: De Achttiende Eeuw, 38 (2006), nr. 1, pp. 39-54.
Vuyk, S., ‘Twee vrouwen over vaderland en voorzienigheid: Lucretia Wilhelmina van Merken (1721- 1789) en Margareta Geertruid van der Werken (1734- na 1796)’. In: De Achttiende Eeuw, 34 (2002), nr. 1, pp. 33-48.  

Terug