In de kast! - Joris Gerits

Noirceur: kern van het schrijverschap van Pol Hoste

Joris Gerits

In de rubriek ‘In de kast!’ brengen personen uit de wereld der letteren schrijvers of boeken die ten onrechte vergeten zijn, weer onder de aandacht. In deze ‘In de kast!’ bespreekt emeritus hoogleraar letterkunde van de Universiteit Antwerpen Joris Gerits het oeuvre van de in Nederland lang niet zo bekende Vlaming Pol Hoste. Hij bespreekt enkele romans van deze schrijver en prijst zijn omgang met taal. Het is tijd dat men boven de Moerdijk ook en masse Hoste gaat lezen.

De titel van de eerste van twee novellen die in Ontroeringen van een forens (1993) staan luidt: ‘Een schrijver die geen schrijver is’. Het is meteen het antwoord op de vraag: wie is Pol Hoste?
Waarom positioneert hij zich als dusdanig? Omdat schrijven voor Pol Hoste gelijk staat aan het tot stand brengen van een tekst die hij in de eerste plaats zelf wil lezen. Zijn tekst is zoals zijn leven: onaf, fragmentarisch, met alleen relatieve verbanden. Gebeurt het schrijven voor anderen, dan moet aan de tekst een slot gemaakt worden waardoor hij ophoudt veranderlijk te zijn. Met het einde van de tekst houdt ook het schrijven onherroepelijk op, de lavastroom van woorden stolt. In Een dag in maart (2006), het slot van het drieluik van een schrijfproject met de overkoepelende titel ‘Carnet’, vat hij het zo samen: ‘De tekst heeft geen begin. Niet zoals de Aarde op de eerste dag. De tekst heeft ook geen einde. Niet zoals de zon en de wereld. De woorden spiegelen zich in hun betekenissen’. (76) Met een begin en een slot wordt de tekst dan een verhaal. Lezers van de teksten van Pol Hoste moeten alle stemmen die erin klinken op elkaar betrekken. Ze moeten de tekstfragmenten verzamelen en er zelf een compositie van maken. Daarbij zullen ze ervaren dat de idee, dat zij de bonte mengeling en verscheidenheid van taalregisters, personages, anekdoten en beschouwingen in het proza van Pol Hoste in het keurslijf van een afgerond en gestructureerd geheel kunnen dwingen, een waanidee is. Pol Hoste schrijft geen romans met een intrige, een spanningslijn en een dramatisch verloop dat de lezer kan volgen van begin tot eind. De boeken van Pol Hoste weerspiegelen daarentegen op een bijzondere en in ons taalgebied vrij unieke wijze ons gefragmenteerd bestaan in een complex, multicultureel en transnationaal geworden wereld.
High Key (1995), heeft als ondertitel ‘Monologen, dansen en verhalen’. High Key is een ballet van woorden, de auteur een choreograaf van een tekst als theater, want ‘Alleen het theater geeft het woord een plaats. Un lieu-dit’. (53) Woorden worden verankerd en gelokaliseerd in teksten en verhalen. Zoals disparaat ijzervijlsel een figuur vormt als het in de buurt van een magneet komt, zo blijken, door de schrijfactiviteit van de auteur, over het hele boek verspreide zinnen, overwegingen en gebeurtenissen te gaan samenklitten, configuraties te vormen. Het denken, spreken en handelen van Hostes personages wijkt sterk af van het denken, spreken en handelen dat algemeen als zinvol, nuttig of van betekenis geacht wordt. Met meer dan een vleugje postmoderne ironie rekent Pol Hoste in zijn boeken af met een cultuuropvatting waarin het conventionele verhaal functioneert en floreert. Hij fictionaliseert de malaise door het scheppen van een corpus van teksten en commentaren, voortgebracht door gonzende stemmen.
Hoste is een auteur die uniformiteit schuwt en pluraliteit omhelst. Hij bekritiseert de visie op de mens als een louter op economische productie en vooruitgang gericht wezen. Hij wijst het geloof in een vooruitgangsethos met een uitgesproken lineair karakter af. In High Key kiest hij voor het maken van danspassen op de plaats. Voor hem is het heden, het nu, geen doorgangstijd die zo vlug mogelijk verlaten moet worden op weg naar de toekomst, want time is money. Voor hem is het heden, het nu, een standplaats, een speelruimte voor personages die de werkelijkheid beleven als een dansend gebeuren, vol onverwachte, niet voorgeprogrammeerde bewegingen en onvermoede mogelijkheden. Pol Hoste nodigt de lezer uit om zijn tekst niet alleen te lezen maar ook te acteren, te dansen zelfs.
In het eerste Carnet, De lucht naar Mirabel (1999) maakt Pol Hoste, als de verteller Passant, de lezer erop attent dat zijn aantekeningen niet alleen gelezen, maar ook beluisterd en bekeken moeten worden. Hij gebruikt daarvoor tekens – asterisk, gedachtestreepje, zwart vierkantje– die respectievelijk aanwijzen/waarschuwen dat de erop volgende alinea niet voor lectuur bestemd is, stemmen laat horen die zijn Carnet onderbreken, als ‘beeldopnamen’ geregistreerd moeten worden. Duidelijk is dat Pol Hoste De lucht naar Mirabel tegelijk proza, theater en beeldverhaal wil laten zijn. Pol Hoste confronteert de lezer in zijn eerste Carnet met beschouwingen –zonder systematiek en samenhang, maar niet zonder belang –over diverse systemen (taal, politiek, economie, kunst) waarmee wij de wereld organiseren. Die ordening is niet zo vanzelfsprekend als ons wordt voorgehouden, luidt zijn oordeel. De versplintering van de tekst in een mozaïek van zeer vele stilistisch glanzende fragmenten drukt op formele wijze zijn ongeloof uit in overkoepelende zekerheden afkomstig van welk systeem dan ook.
De meertaligheid van het reizende personage Passant in Carnet I, II en III zorgt ervoor dat zijn identiteit nooit volledig vastligt. Passant is de ik-verteller die Standaard Nederlands schrijft, die de taxichauffeur op weg van Gent naar Brussel ‘neerlandofoons’ laat spreken en zijn vriendin Traveller een soort Engels in de mond legt dat ook te horen valt op bijeenkomsten waar het Engels als voertaal gebruikt wordt door niet- moedertaalsprekers. In dialogen wordt van het Nederlands overgeschakeld naar het Engels, het Frans, het Duits. Hoste associeert woordspelerige combinaties bij elkaar als Montréal, mont royal, mon réel, my realm. Hij buit het komische effect uit van letterlijke vertalingen en van kromtaal.
Ook In Montréal (2003) en Een dag in maart (2006) heerst een dynamische disharmonie, wordt met stilistisch vaste hand instabiliteit gecreëerd. Hoste fulmineert er tegen het gevoerde kunsten- en subsidiebeleid. In een artikel ‘Een locatie voor kunstkritiek’ in het novembernummer 2003 van Yang, waarnaar expliciet verwezen wordt op pagina 254 van Een dag in maart, formuleerde hij zijn kritiek als volgt:

Ik heb het een stuk moeilijker met de hedendaagse evenementencultuur die het resultaat is van een kunstenbeleid dat de populariteit van eerlijke politici moet doen toenemen, het vertrouwen in sociaalvoelende bankiers moet versterken en de sympathie voor ruimdenkende handelaars moet opwekken. Van beeldende kunst verlangen dat ze de toeristische activiteit in de Vlaamse historische steden doet toenemen, heeft te veel met commercie, consumptie en entertainment te maken en te weinig met wat dan al kan worden verstaan onder democratisering van de cultuur. (385)

Aan een Arabische vriend die Nederlands leert, probeert hij in Een dag in maart uit te leggen waarom alle instanties en omstandigheden die de cultuurproductie moeten ondersteunen en bevorderen als vanzelfsprekend gefinancierd worden, terwijl de kunstenaar zelf in de kou blijft staan: ’En wat de kunst betreft, er zal altijd geld zijn voor kantoren, onderhoud, verwarming, water, elektriciteit, verzekeringen, organisatoren, bedienden en wat er zoal komt kijken bij cultuurproductie. Maar voor een kunstenaar?’. (61) Hoste hekelt de administratie van culturele instellingen die louter zichzelf in stand houdt, uitgesproken meningen vermijdt, de dingen op hun beloop laat. Passant heeft voor die mentaliteit een woord ontdekt in het Québécois: noirceur. ‘Het betekent dat alles in orde is omdat er niets klopt. Daardoor blijft het ook functioneren’. (54) Noirceur, zegt de Franse Van Dale, betekent zwartheid, ook gemeenheid (doortraptheid) en, verouderd, somberheid, droefgeestigheid, melancholie. Die laatste betekenis van het woordenboek, samengevoegd met zijn definitie van het woord in het Québécois, brengen mij ertoe noirceur op te schrijven als het woord dat zijn hele oeuvre samenvat.
In 2002 kreeg Pol Hoste de Arkprijs van het Vrije Woord omdat hij ‘jarenlang zonder toegevingen aan de smaak van het grote publiek en daarom vaak ook zonder de verdiende waardering, hardnekkig en naar eigen inzicht het artistieke woord hanteert’. Zo klonk de motivering in de radio-uitzending van Het Vrije Woord (17-06-2002). Hoste weet dat de manier waarop hij als schrijver (over)leeft bij velen op onbegrip stoot. Geregeld snijdt Passant dat onderwerp zelf aan in zijn carnets. ‘Wat voor werk doet u?’ vraagt iemand. ‘Ik doe niets,’ zeg ik. ‘En daar schrijf ik sociaal geëngageerde en dus onleesbare rapporten over die literair theoretisch onderbouwd zijn.’ (80) Aan een oorlogspiloot die deelgenomen heeft aan de NAVO-bombardementen op de Balkan, vertrouwt Passant vol zelfironie toe: ‘Weet u,’ zei ik, ‘dat velen vinden dat wat ik zeg te wijdlopig is, te vaag, te dubbelzinnig of niet politiek correct genoeg, te cynisch zelfs, te negatief. Elitair!’ (255)
Net zoals Daniël Robberechts schrijft Pol Hoste taalkritisch proza, teksten zonder ‘verhaal’ waarvan de interpretatie niet naar een vooraf bepaald doel wordt gestuurd. Daardoor krijgt de lezer vrijheid, speelruimte, projectiemogelijkheid voor een schier grenzeloze betekenisgeving, betoogt Paul Claes in zijn nawoord bij de onvoltooid gebleven Totaaltekst van Robberechts. Dit geldt ook onverkort voor de hybride, meertalige teksten die Pol Hoste uit zijn carnets distilleert.
In het slothoofdstuk van Montréal staat de volgende bekentenis van Passant: ‘Ik heb altijd geschreven. Met mijn lichaam, met de benen van de letters, met de stelen van kersen, aan de binnenzijde van mijn bolster.’ (215) Passant moet daarmee doorgaan. Hij hoort niet thuis in de kast als het spreekwoordelijke lijk. De niet verkochte exemplaren van zijn carnets, romans en novellen moeten niet op zijn zolder opgestapeld worden of verramsjt. Het oeuvre van Pol Hoste hoort thuis in de boekenkast van lezers die beseffen dat een roman ook steengoed en uitermate boeiend kan zijn zonder plot, zonder realistische personages, zonder parafraseerbare inhoud. Het oeuvre van Pol Hoste is tegendraads en eigenzinnig, nooit vrijblijvend, altijd confronterend én geestig. Lezers, omarm het.  

Terug